Sinds 2002 wordt in opdracht van de Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) het antibioticagebruik en de resistentieontwikkeling in de Nederlandse dierhouderij gemeten. De resultaten van de jaarlijkse metingen worden gepubliceerd in het MARAN rapport. MARAN staat voor Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands. Het rapport wordt opgesteld door de werkgroep Veterinary Antibiotic Usage and Resistance Surveillance (VANTURES). Het ministerie van ELI gebruikt MARAN voor het verstrekken van informatie aan de Europese Commissie. Door de gegevens over gebruik en resistentie in één rapport te combineren is zicht te houden op de ontwikkelingen. MARAN maakt voor de rapportage gebruik van beschikbare bronnen. Voor het diergeneesmiddelengebruik zijn dat:
Naast de gebruikscijfers over diergeneesmiddelen wordt er verslag gedaan van resistentie bij kiemen. Dat betreffen zowel ziekteverwekkers als kiemen in de natuurlijke darmflora. Het gaat daarbij speciaal om:
- ziekteverwekkers die voor de mens gevaarlijk kunnen zijn (bijv. bepaalde soorten Salmonella, Campylobacter en Escherichia coli m.n. met betrekking tot Extended Spectrum Beta-lactamasen (ESBL) productie en veegerelateerde MRSA)
- bacteriën die normaal bij voedselproducerende dieren voorkomen (bijv. Enterococcus faecium en Enterococcus faecalis). De resistentie van deze kiemen wordt gebruikt als indicator voor de ontwikkeling van resistentie in de tijd. De monitoring wordt uitgevoerd bij vleeskuikens, varkens, vleeskalveren en melkvee.
- enkele ziekteverwekkende bacteriën bij diersoorten (bijv. verwekkers van uier- of longontsteking bij melkvee)
De verkoopcijfers van antibiotica die door de FIDIN worden gepubliceerd geven een indruk van het totale volume aan antibiotica dat wordt gebruikt in de veterinaire sector. Deze cijfers maken niet inzichtelijk aan welke diersoorten de antibiotica worden toegediend. De gegevens zeggen ook niets over het aantal behandelde dieren, omdat de weergave in kilogram werkzame stof geen therapeutische kwantificering inhoudt. Ook de vergelijking tussen jaren is lastig door nieuwe sterk werkzame antibiotica die een lagere dosis behoeven of antibiotica die een langere werkzaamheid hebben na toedienen.
Verder wordt de vergelijking tussen sectoren bemoeilijkt door enerzijds de grote verschillen in diergewichten en dus in de hoeveelheden antibiotica die per dier worden toegediend en anderzijds potentieverschillen van sectorspecifiek toegepaste werkzame stoffen. Er bestaat sterke behoefte aan nader inzicht om de resistentieontwikkeling te volgen. Daarvoor zijn inzicht in de voorgeschreven middelen en afspraken over de rekeneenheid van belang.
Ten behoeve van een optimale elektronische gegevensuitwisseling vanuit de dierenartspraktijk, heeft de Stichting VETbase het plan opgezet om een
Veterinair Centraal Informatiesysteem (VetCIS) te ontwikkelen. VetCIS heeft twee onderdelen, een hub en een database. De hub zorgt ervoor dat alle digitale informatiestromen van en naar de dierenarts vanuit één centraal knooppunt wordt ondersteund. De hub ondersteunt de dierenarts bijvoorbeeld bij het aanleveren van gegevens van IKB deelnemers aan de IKB databases. Dit draagt bij aan een vereenvoudiging van de administratie en uitwisseling daarvan.
In de VetCis database worden centraal gegevens (bijv. voorschriften) via een standaardformaat vastgelegd.
De gegevens worden gebruikt voor het berekenen van kengetallen. Daarvoor wordt de dagdosering per dierjaar gehanteerd. Deze rekeneenheid maakt het volgen van trends en vergelijken van bedrijven en voorschriften door dierenartsen mogelijk. Hiermee wordt de dierenarts ondersteunt bij het voorschrijven van diergeneesmiddelen (benchmarking) en kunnen uiteindelijk de gegevens verder worden gebruikt bijv. voor wetenschappelijk doeleinden.
Eind 2009 is het project Zicht op Gezonde Dieren gestart. De focus in dit project ligt op het verminderen van het gebruik van antibiotica en andere diergeneesmiddelen die resistentie kunnen veroorzaken, zoals bijvoorbeeld middelen voor het ontwormen. De initiatiefnemers zijn LTO en KNMvD. Kernwoorden zijn bewustwording en verantwoorde en transparante productie. Daarbij wordt het gezonde dier en de volksgezondheid inclusief veilig voedsel centraal gesteld. De aanpak loopt via ondernemersgroepen in diverse diersectoren. In het project worden “
best practices” geïdentificeerd die van nut kunnen zijn bij het verminderen van de reductie van resistentie. Het project loopt tot het voorjaar van 2012.