WVAB –richtlijn classificatie van veterinaire antimicrobiële middelen

Antimicrobiële middelen moeten verantwoord en dus ook zo gericht mogelijk worden toegepast. De keuze van het antimicrobieel middel wordt zowel bij mensen als dieren in hoofdlijnen bepaald door de betrokken bacterie(n), de kinetiek en de beschikbaarheid van een geschikt (geregistreerd) diergeneesmiddel. Voorheen werden antimicrobiële middelen ingedeeld op basis van spectrumbreedte (smal versus breed). Antimicrobiële middelen kunnen echter ook verschillen in selectiedruk op resistentie factoren. Bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur dan uit naar een antimicrobieel middel met zo min mogelijk selectiedruk ten aanzien van de overige kiemen (residente flora). Deze factoren worden meegenomen in de WVAB-richtlijn en de daaruit voortvloeiende diersoortspecifieke richtlijnen en formularia.

Selectiedruk en volksgezondheid 

Het huidige beleid van het ministerie van Economische Zaken en Volksgezondheid, Welzijn en Sport is, op basis van het rapport Gezondheidsraadrapport uit 2011, gericht op het vermijden van selectie op Extended Spectrum Bèta-Lactamase-producerende bacteriën (ESBL). De indeling van de antimicrobiële middelen in de Gezondheidsraadsrapport is vooral gericht op het voorkómen van selectie op ESBL en Ampicilline C Bèta-Lactamase (AmpC) vormende bacteriën. Hoewel dit in het kader van de humane resistentieproblematiek een grote en belangrijke groep blijft, zijn er ook nieuwe (Carbapenemase Resistente Enterobacteriaceae) en andere resistente bacteriën (Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus (MRSA), Vancomycine Resistente Enterokokken) c.q. selectiemechanismen (C. difficile) die van belang zijn. Het doel van het veterinaire antibioticabeleid is om, naast de bevordering van dierwelzijn inclusief diergezondheid, de resistentie en selectie binnen zowel de diergeneeskunde als de humane gezondheidszorg zo veel mogelijk te beperken. Hoewel het gebruik van antimicrobiële middelen bij de mens de belangrijkste reden voor resistentie in de humane gezondheidszorg lijkt te zijn, heeft het gebruik van antimicrobiële middelen in de diergeneeskunde ook invloed op de selectie van bacteriën en resistentie. 

Het aantal antimicrobiële middelen voor mensen is veel groter dan voor dieren (zie www.who.int). In de diergeneeskunde worden volgens wettelijke bepalingen in eerste instantie geregistreerde diergeneesmiddelen gebruikt. Er zijn antibiotica die uitsluitend geregistreerd zijn voor dieren. Tevens zijn er stoffen die zowel in de diergeneeskunde als in de humane geneeskunde gebruikt worden (veelal in andere toedieningsvorm en doseereenheid). Ook zijn er stoffen die uitsluitend gereserveerd zijn voor humaan gebruik. Selectief en restrictief gebruik van antibiotica helpt resistentie te voorkomen.

In de WVAB-richtlijn zijn de antimicrobiële middelen die in de diergeneeskunde worden gebruikt op werkzame stof ingedeeld in 1e, 2e en 3e keuze en middelen die in geval van diergeneeskundige noodzaak bij niet-voedselproducerende dieren via de cascade kunnen worden ingezet. De laatste categorie is verboden bij voedselproducerende dieren (EU 37/2010). Door de indeling op mate van selectiedruk kunnen breedspectrum middelen tot de 1e keus middelen behoren. De WVAB hecht veel waarde aan het vermijden van zoveel mogelijk selectiedruk. Daarom is in tabel 2 beknopt aangegeven wat het spectrum van de stof is en voor welke diersoort het middel geregistreerd is. Deze indeling wordt tevens in de formularia gehanteerd. Tot slot heeft de World Health Organization (WHO) de antimicrobiële middelen voor de humane geneeskunde ingedeeld. Stoffen die de WHO als “critically important” worden beschouwd voor de humane geneeskunde behoren om deze reden niet tot de eerste keuze middelen en mogen in beginsel uitsluitend worden toegepast bij de behandeling van individuele dieren. 

De WVAB- richtlijn

Bekijk de WVAB- Richtlijn door te klikken op de link.