Onder andere naar aanleiding van een referral-procedure van EMA en het advies van de Gezondheidsraad ten aanzien van colistine heeft de WVAB het beleid aangepast en de formularium commissies verzocht om bij het opstellen van de nieuwe formularia rekening te houden met het volgende. 

De EMA heeft bepaald dat alle monopreparaten die colistine bevatten voor orale toediening (via drinkwater/via voer) alleen nog ingezet mogen worden voor gastrointestinale E.coli infecties bij de betreffende diersoorten: ‘treatment of gastrointestinal infections caused by non-invasive E. coli susceptible to colistin. Delete, where applicable, treatment of infections other than E. coli’.

Volgens het CBG-MEB zijn de SPC’s van betreffende middelen reeds hierop aangepast.
De WVAB heeft daarom besloten om per direct in de formularia Varken, Vleeskalveren/Vleesvee, Melkvee en Konijn bij de indicatie Salmonellose de werkzame stof colistine te verwijderen. Voor combinatiepreparaten met colistine voor orale toediening loopt op dit moment een referral-procedure. Het doel van de referral is om alle combinaties met colistine voor orale toediening te verbieden voor veterinair gebruik. Mogelijk volgen er in de toekomst nog procedures voor parenterale middelen die colistine bevatten. 

Met betrekking tot de inzet van colistine stelt de WVAB vast dat:
• Colistine in de humane gezondheidszorg een ‘last resort middel’ is en recente identificatie van het mrc-1 en mrc-2 gen duidelijk maakt dat op basis van het voorzorgsprincipe een terughoudend gebruik in de dierhouderij noodzakelijk is.
• Het gebruik van colistine in de dierhouderij de laatste jaren sterk is gedaald.
• De inzet van colistine met name gericht is op de behandeling van bacteriële infecties van de digestietractus.
• Voor de orale curatieve behandeling van deze infecties er op dit moment vaak geen geschikte alternatieven zijn. 

In vervolg op het eerdere WVAB-standpunt over de reductie van colistine in de dierhouderij uit 2013, is de WVAB daarom van mening dat colistine niet langer als voorkeursmiddel in de formularia aangewezen kan worden.
Dat wil zeggen dat colistine in principe alleen mag worden ingezet als andere tweede keuze middelen niet werkzaam zijn. De WVAB ziet vooralsnog geen aanleiding om colistine per direct te classificeren als een derde keuze middel. De WVAB vindt het in dit kader van belang dat nadere randvoorwaarden voor de inzet van colistine worden opgenomen in richtlijnen van de beroepsgroep, zoals de formularia. Deze randvoorwaarden betreffen onder andere het specificeren van het noodzakelijke aanvullend onderzoek, het zo veel mogelijk inperken van de hoeveelheid dieren waarvoor colistine wordt voorgeschreven (cohorteren), het opnemen van de noodzakelijke preventieve maatregelen in het bedrijfsgezondheidsplan en het evalueren van iedere behandeling. Het verzoek aan de formulariumcommissies is om deze randvoorwaarden verder te concretiseren in de nieuwe versies van de formularia en als caves op te nemen. 

Een voorbeeld van deze werkwijze is te vinden in het formularium paard, waar de inzet van clarithromycine/azithromycine in combinatie met rifampicine bij Rhodococcus-veulens gekoppeld is aan een diagnose- en behandelplan. Naast de formularia zou wat de WVAB betreft de ontwikkeling van richtlijnen, gericht op diagnostiek, preventie en behandeling, ook kunnen bijdragen aan een verdere vermindering van het gebruik van colistine in de dierhouderij. Ten aanzien van het monitoren en benchmarken van het gebruik van en de (mrc-1 en 2) resistentie tegen colistine worden er daarnaast vanuit de beroepsgroep initiatieven genomen.